Personenauto's

PERSONENAUTO'S

TYPE A
Na de typegoedkeuring op 20 november 1918 door de Franse rijksdienst voor het wegverkeer wordt eind mei 1919 het model 10HP (ook bekend als Type A) geïntroduceerd. Vanaf 7 juli dat jaar is het model te koop. Het is niet alleen de allereerste CITROËN, maar ook de eerste auto in Europa die aan de lopende band wordt geproduceerd, volgens het systeem dat Henry Ford dan al ruim tien jaar toepast in zijn fabrieken in Detroit. De auto is voorzien van een viercilindermotor met een inhoud van 1.327 cm3 die bij 2.100 t/min 18 pk levert. Deze CITROËN 10HP heeft een snelheid van ruim 65 km/h en is in meerdere opzichten baanbrekend. Het is de eerste auto die kant en klaar wordt geleverd, met een koetswerk en een volledige uitrusting. De Type A zal in productie blijven tot juni 1921 en is leverbaar in zes verschillende uitvoeringen.
DE B-SERIE
De Type A wordt opgevolgd door de B2, die is voorzien van een nieuwe motor met meer vermogen en een verbeterd koelsysteem. De B2 bewijst zich al snel als een robuuste auto en wordt een groot commercieel succes. In 1924 is de B2 in twaalf uitvoeringen leverbaar, plus drie uitvoeringen met de naam B10, die zijn voorzien van een nieuwe, volledig stalen carrosserie. In 1925 worden de B2 en B10 opgevolgd door de B12, die leverbaar is in zes uitvoeringen met volledig stalen carrosserie en vijf uitvoeringen met een carrosserie van plaatwerk en hout. Bij de introductie van de B14 in het jaar erop verdwijnen deze laatste definitief uit de catalogus. In 1928, het laatste productiejaar van de B14, verschijnen er op basis van dit model een bedrijfsauto (de B15) en een zeldzame versie met een grotere spoorbreedte (de B18), bestemd voor de koloniën. In dezelfde periode, van 1922 tot 1926, verkoopt CITROËN ook het kleine model 5HP, waarvan het beroemde Klaverblaadje (Trèfle) de bekendste uitvoering is.
DE C-SERIE
Op de Parijse autosalon van oktober 1928 presenteert CITROËN haar nieuwe gamma. Deze datum vormt een mijlpaal in de geschiedenis van het merk, omdat CITROËN naast de nieuwe C4 (de opvolger van de B14) ook een volledig nieuw topmodel met een zescilindermotor introduceert: de C6. Beide modellen profiteren van alle verbeteringen van het voorgaande model, waaronder de volledig stalen carrosserie, en blijven tot ze in september 1932 uit productie worden genomen uitstekend verkopen. In 1931 bestaat het CITROËN-gamma uit maar liefst 47 verschillende uitvoeringen. Op 1 april 1932 ondergaan de C4 en C6 een revolutionaire vernieuwing die het comfort zeer ten goede komt: de zwevende motor. De C4 zal lange tijd de reputatie genieten een bijzonder robuuste en veelzijdige auto te zijn, zelfs in de jaren '50 rijden er nog veel van rond.
ROSALIE
Tijdens de Parijse autosalon van 1932 introduceert CITROËN de 8CV, de 10CV en de 15CV. De eerste twee modellen vervangen de C4 en de het derde model is met zijn zescilindermotor de logische opvolger van de C6. De records die deze auto's vanaf 1931 boeken op het circuit van Linas-Montlhéry leveren zoveel publiciteit op dat de drie modellen al snel de bijnaam Rosalie krijgen. In januari 1934 wordt de carrosserie van deze modellen gemoderniseerd en in mei krijgen de modellen een onafhankelijke voorwielophanging met torsiestaafvering. Vanaf de introductie van de Traction Avant in 1934 verdwijnen de Rosalie-modellen enigszins naar de achtergrond. Deze modellen blijven nog tot september 1938 leverbaar onder de typenamen 7UA en 11UA en zijn voorzien van de motoren van de 7CV en de 11CV.
TRACTION
De introductie van de eerste Traction Avant (de 7CV) in mei 1934 zorgt voor een ware revolutie in de autowereld. Men had nooit eerder zoveel vernieuwende oplossingen gezien bij een in serie geproduceerde auto: een zelfdragende stalen carrosserie (dus zonder chassis), hydraulische remmen op alle wielen, onafhankelijke wielophanging met torsiestaafvering, een zwevende motor met kopkleppen en afzonderlijke cilindervoeringen... De productie van de 7CV stopt in juni 1941, maar de 11CV (geïntroduceerd in september 1934) blijft in productie tot eind juli 1957. De 15CV met zescilindermotor wordt geproduceerd van juni 1938 tot juli 1956. Vanaf 1954 is een speciale versie leverbaar (15H genoemd) met hydropneumatische vering achter, een voorloper van de toekomstige DS.
2CV EN AFGELEIDEN
De 2CV ontstaat al in de jaren '20 als idee bij Michelin voor een auto die bereikbaar moet zijn voor het volk. De eerste studies dateren van 1936 en leveren het eerste model op, waarvan de geplande introductie in 1939 wordt geannuleerd vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Uiteindelijk wordt de 2CV, in aanzienlijk gewijzigde vorm, pas officieel gepresenteerd op de Parijse autosalon van 1948. De productie in de fabriek van Levallois start pas in het jaar erop en de laatste productielijn in Mangualde, Portugal zal pas 42 jaar later worden gestopt, om precies te zijn op 27 juli 1990. Gedurende de hele carrière van de "lelijke eend" verschijnen er afgeleide modellen, zoals de Dyane in september 1967 en de Méhari met zijn origineel vormgegeven carrosserie van "ABS"-kunststof in mei 1968.
DS
De DS wordt geïntroduceerd op de Parijse autosalon van 1955 en is voor die tijd zowel uiterlijk als technisch pure science fiction. Met zijn ultramoderne vormgeving en avantgardistische interieur, hydropneumatische vering en volledig hydraulische bekrachtiging wekt de auto zoveel enthousiasme op dat er aan het einde van de salon al bijna 80.000 exemplaren zijn besteld. In september 1967 krijgt de DS een nieuwe voorzijde met vier koplampen achter glas, waarvan de twee binnenste meedraaien met de stuurinrichting. De DS en de ID (geïntroduceerd in oktober 1956) zijn leverbaar in diverse carrosserievarianten: berline, break en cabriolet. De productie van de DS eindigt op 24 april 1975. De auto blijft tot vandaag de dag een symbool van vooruitstrevendheid in de automobielindustrie.
AMI
In 1961 introduceert CITROËN de Ami 6, een model in de middenklasse met een 602 cm3-motor. Deze slimme kruising tussen de 2CV en de DS heeft een bijzonder originele carrosserievorm met een achterover hellende achterruit. In augustus 1964 verschijnt de Break-uitvoering op de markt. In 1969 wordt de Ami 6 vervangen door de Ami 8, waarvan de berline-uitvoering een meer traditionele achterruit krijgt. Op basis van dit model wordt een opmerkelijk prototype met de naam M35 ontwikkeld (500 exemplaren), dat is uitgerust met een rotatiemotor (voorloper van de GS Birotor) en hydropneumatische vering zoals de DS. In januari 1973 wordt de van de Ami 8 afgeleide Ami Super gepresenteerd, die is voorzien van de 1015 cm3 viercilindermotor uit de GS. De Ami Super is leverbaar tot juli 1976 en de Ami blijft nog 2 jaar langer in productie.
SM
Met de SM krijgt CITROËN een prachtig model in de topklasse. Deze luxueuze coupé is voorzien van een Maserati V6-motor en profiteert van de geperfectioneerde techniek van de DS op het gebied van voorwielaandrijving, hydrauliek en vering. Dit model is voorzien van een vijfversnellingsbak en hydraulische snelheidsafhankelijke Diravi-stuurbekrachtiging met automatische terugloop. Bij de introductie in 1970 oogst de originele en vernieuwende SM unaniem bewondering. Met zijn sportieve kwaliteiten wordt de auto gewaardeerd door een klantenkring van kenners in Frankrijk en heel Europa, maar ook in de Verenigde Staten. Vanwege de verhoogde brandstofprijzen en de snelheidsbeperkingen op snelwegen eindigt de carrière van de SM al in juli 1975.
CX
In oktober 1974 wordt de CX gelanceerd, het model met de uitdaging een waardige opvolger van de DS te worden. Met zijn kenmerkende uiterlijk en vernieuwende interieur past de CX uitstekend binnen de lijn van de opvallende grote CITROËNs. De wegligging en het comfort zijn uitzonderlijk, dankzij de hydropneumatische vering. In september 1975 wordt de CX de eerste in serie geproduceerde Citroën die leverbaar is met een dieselmotor. In september is de CX GTI Turbo met zijn topsnelheid van 220 km/h de snelste limousine van Frans fabrikaat. Na een facelift in 1985 zal de carrière van de CX nog duren tot juli 1991. De CX wordt heden ten dage nog steeds gezien als een auto met grote kwaliteiten.
GS
De GS combineert het beste van alle CITROËN-knowhow op het gebied van in serie gebouwde auto's. De GS heeft voorwielaandrijving en een luchtgekoelde viercilinder-boxermotor, hydropneumatische vering en een carrosserie die lange tijd een van de laagste CW-waarden zal hebben. De in juli 1970 geïntroduceerde GS valt in het segment tussen de Ami 8 en de DS. De break-uitvoering verschijnt een jaar later op de markt. In september 1979 wordt de GS opgevolgd door de GSA, die het succes voortzet en tot juli 1986 in productie blijft. Vanaf september 1973 is ook een versie met een tweeschijfs-rotatiemotor leverbaar, de GS Birotor. Om dezelfde redenen als bij de SM wordt de verkoop voortijdig gestaakt in oktober 1975.
LN
De LN wordt geïntroduceerd in oktober 1976 en is het resultaat van het twee jaar eerder gesloten akkoord tussen Peugeot en CITROËN, die voortaan samen de PSA-groep vormen. Dit nieuwe model is in feite gebaseerd op de Peugeot 104 Coupé en is voorzien van de luchtgekoelde tweecilindermotor van de Ami 8. In september 1978 krijgt dit model een sterkere motor met een inhoud van 652 cm3 (in plaats van 602 cm3) en heet dan voortaan LNA. Vier jaar daarna wordt het gamma uitgebreid met een watergekoelde viercilindermotor met een inhoud van 1124 cm3. Deze kleine auto wordt zowel op het platteland als in de stad zeer gewaardeerd en is voor bij vrouwelijke klanten populair. De LNA verdwijnt in september 1986 uit de catalogus.
VISA
De Visa wordt geïntroduceerd op de Parijse autosalon van 1978. De Visa is ontworpen op basis van de vierdeursuitvoering van de Peugeot 104 en voorzien van een in lengterichting geplaatste luchtgekoelde tweecilindermotor van 652 cm3, of een dwarsgeplaatste watergekoelde viercilindermotor van 1124 cm3. Naast de origineel gelijnde carrosserie heeft de auto een echt CITROËN-interieur, ergonomisch ingericht en gericht op het comfort van de bestuurder. De Visa is tijdens zijn carrière leverbaar in verschillende uitvoeringen en is zowel zuinig als sportief, geschikt voor lange afstanden en zelfs leverbaar als cabriolet. In maart 1981 krijgt het uiterlijk een facelift om het publiek nog meer te bekoren, en drie jaar later verschijnt er een dieselversie met een motor met een cilinderinhoud van 1769 cm3. In juli 1988 verdwijnt de Visa zonder ophef uit het CITROËN-gamma.
DE JAREN 80
De jaren 80 worden bij CITROËN gekenmerkt door vertrouwde modellen als de 2CV en de CX, maar ook door een hernieuwd elan dankzij het verschijnen van nieuwe modellen, waardoor voor het merk een succesvol nieuw tijdperk aanbreekt. Zo wordt bijvoorbeeld in oktober 1982 de BX geïntroduceerd, een model dat is ontworpen door de grote Italiaanse carrosserieontwerper Bertone. Vier jaar later, in 1986, verschijnt de compacte AX, die leverbaar is in drie- of vijfdeursuitvoering. Het decennium wordt afgesloten met het verschijnen van de XM, het nieuwe topmodel dat in maart 1989 wordt geïntroduceerd. Dit model is een subtiele combinatie van vernieuwing en traditie en is voorzien van hydropneumatische vering van het type "Hydractive" en leverbaar met een V6-motor.
DE JAREN 90
De jaren 90 vormen voor CITROËN een overgangsfase, waarin het merk zich klaarstoomt voor de 21e eeuw. Terwijl de 2CV definitief uit productie gaat op 27 juli 1990, ondergaat het gamma een verjongingskuur en wordt het verder uitgebreid, waardoor het merk steeds dynamischer wordt. In maart 1991 bijt de ZX de spits af. Twee jaar later verschijnt de elegante Xantia en in 1994 het monospace-model Evasion. In 1996 worden de Berlingo Multispace en de Saxo geïntroduceerd, in 1997 gevolgd door de Xsara. De Xsara zal de hoogste plaats bereiken in het wereldkampioenschap Rally, en in 1999 verschijnt de Xsara Picasso, een compacte monospace in een nieuw segment.
Om optimaal te genieten van de interactiviteit van de site van
CITROËN

DOWNLOAD
FLASH PLAYER 10



en controleer of Javascript is geactiveerd in uw internetbrowser.